Circulair ruimtegebruik

#CirculairRuimtegebruik - Ruimte voor leven, leren en werken in 2050

Het Vlaamse transitieprogramma ‘Leerecosystemen’ experimenteert met leren in nieuwe omgevingen en contexten.

Met heel veel werk en een beetje geluk
Raak je misschien wel weer waar je vader was
Blackberry Smoke – One Horse Town

 

Klinkt dat herkenbaar? Misschien niet voor jou persoonlijk, maar het gevoel doet wel de ronde. Bij jongeren bijvoorbeeld, heeft net geen één op drie een negatief toekomstperspectief. Daarbij is er weinig verschil tussen ASO, TSO en BSO. Misschien is het probleem dus niet zozeer hoe hoog je al dan niet verwacht te klimmen, maar eerder hoeveel goesting je hebt in de tocht? Hoe ontdek je als jongere vandaag wat je morgen graag zou doen? Hoe verbeeld jij je een toekomst waar je jouw schouders onder wil zetten. En niet onbelangrijk: wáár doe je dat?

Eline Vermeersch, projectbeheerder bij het Departement Werk en Sociale economie: “Met Visie 2050 stelde de Vlaamse regering een lange termijn strategie op rond een aantal zaken waar we maatschappelijk op vastlopen. Binnen de transitie leven, leren en werken zijn we gestart door met een aantal frisdenkers, mensen die vandaag al de zaken anders aanpakken, na te denken over alternatieve beelden voor de toekomst. Deze toekomstbeelden landden in een nieuwe visie op leven, leren en werken in 2050. Die visie hebben we, samen met een groep pioniers, naar de praktijk gebracht in de vorm van negen experimenten, dankzij middelen van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Na drie jaar experimenteren brachten we de inzichten samen in vier hotspots voor transitie. Met middelen uit het Europees Sociaal Fonds operationaliseren we momenteel een deel van deze inzichten in een nieuw programma ‘Leerecosystemen’ dat inzet op leren en talentontwikkeling buiten de klassieke contexten zoals klaslokalen. Doorheen dat proces laten we ons ondersteunen door een transitieteam van experts uit het veld, zoals het team van Architecture Workroom Brussels.”

Roeland Dudal, directeur van Architecture Workroom Brussels (AWB): “Wij proberen ontwerp, zowel architecturaal als stedenbouwkundig, te activeren om antwoorden te geven op de maatschappelijke transities waar we voor staan: klimaat, water, energie, circulaire economie, … Zo zijn we betrokken geraakt bij projecten rond leeromgevingen en -ecosystemen, maar ook bij andere trajecten van innovatie in maatschappelijke infrastructuur zoals bij de Brusselse gemeenschapscentra of voor de Projectoproep Broedplekken in Brussel. En dan zie je een aantal dynamieken en vraagstukken telkens weer terugkomen. Er is heel veel vraag naar ruimte, maar weinig beschikbaar. Daarom zijn we gaan kijken naar meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld scholen na de uren inzetten of tijdelijk gebruik activeren in een leegstaand gebouw in afwachting van renovatie. Dan kom je snel bij de koppeling tussen hoe je die ruimte inricht en beheert en hoe je die gebruikt als hefboom. Het gaat niet enkel over de bakstenen, maar ook niet alleen over de mensen. Het gaat om het samenspel tussen mensen en ruimte.”

Meervoudig ruimtegebruik, de koppeling tussen ruimte en mensen als hefboom, hoe uit zich dat in de praktijk?

Dudal: “We werken bijvoorbeeld mee aan een experimenteerplek van de Stad Leuven: de Studio, met de steun van Flanders Technologie en Innovation. Van de tweede verdieping van het historische stadhuis dat in renovatie is, maken ze een innovatie- en transformatielab waar burgers, experts en beleid samenkomen om te leren en te werken rond thema’s die voor de stad en samenleving belangrijk zijn. In een eerste experiment stellen ze de ruimte ter beschikking aan tien Leuvense jongeren, een Future Generations Board. Zij gaan op zoek naar oplossingen voor hun toekomst vanuit enerzijds lange termijn denken en anderzijds de zaken die hen nù bezig houden: mode, community building, werk… We maakten van de tweede verdieping op deze symbolische en historische plek een informele tussenruimte. Een plaats die geen specifiek doel heeft, behalve mensen samenbrengen en projecten initiëren. Men zal daar geen alternatief onderwijs organiseren of het programma volboeken met recepties en vergaderingen. De ruimte moet aanvullend zijn op de andere plekken en praktijken in de stad, om samen te werken aan innovaties voor de samenleving die elders niet zo makkelijk plaatsvinden.”

“Daarom experimenteren we met niet-klassieke werkomgevingen. Er komt geen traditionele vergaderzaal, geen kotjes, want dan maak je gewoon traditionele kantoorruimte. Dit moet een ontwerp- en leerruimte zijn, dus wel een grote werktafel, of een plek voor presentaties. Je kan je even afzonderen met een klein groepje om iets nieuws te ontwikkelen, in een soort arendsnest tussen de spanten van die historische ruimte. We werken ook met witruimte: ruimte die nog niet bestemd is, met flexibel meubilair. Een plaats waar je naartoe kan als het nog niet duidelijk is, om te experimenteren, waar een proces in wording even kan blijven staan. In veel gebouwen is tegenwoordig alles voor- en volgeprogrammeerd, omdat elke ruimte moet opbrengen. 

“Aandacht voor informele ruimte is ook heel belangrijk bij maatschappelijke transities. Op zo’n momenten dreigen mensen uit de boot te vallen, dus moet je zo inclusief mogelijk te werk gaan. Je stapt een leslokaal niet binnen als je denkt dat je niet in staat bent om te volgen. In een winkelcentrum ben je enkel welkom als je komt kopen. Maar iedereen komt wel naar de keuken of de cafetaria waar samen gegeten en gedronken wordt of naar de koer om wat rond te hangen.”

LLW2050 en het vervolgprogramma Leerecosystemen passen die inzichten rond informeel en flexibel ruimtegebruik nu onder meer toe op leren. Hoe zien jullie dat?

Vermeersch: “Er is een sterke link tussen leren en ruimte waarin dat gebeurt. Op z’n kleinst gaat dat over hoe je een leslokaal inricht. Het klassieke bord vooraan met rijen stoelen, dat is heel geschikt voor leren in de vorm van kennisoverdracht, van een expert naar een lerende. Deze vorm van leren heeft zijn waarde en daar moet plaats voor zijn, maar het werkt niet altijd voor iedereen en is op zichzelf niet voldoende. Op een bepaald moment wil je toepassen, hetgeen je leert op school contextualiseren in een omgeving waar je actief bent vanuit interesse of vanuit een maatschappelijk engagement. Dan trek je de ruimte waarin je leert open naar de samenleving.”

Dudal: “Een mooi voorbeeld is het project MASUI4EVER. Dat is de nieuwe thuishaven van de tweejaarlijkse Zinneke Parade in Brussel. Ze hebben hun renovatie gestructureerd rond de filosofie van de donuteconomie; het afwegen van sociale aspecten t.o.v. economische investeringen. In plaats van al het geld in materialen te steken, besteedden ze een deel om jongeren uit de buurt op te leiden en ze te laten meewerken aan de renovatie. Dus moesten ze zoveel mogelijk materiaal dat er al was hergebruiken. Dat is circulariteit van grondstoffen, maar ook van mensen. Ze hebben talenten ontwikkeld en in de wijk dragen ze die plek nu op handen, want iedereen kent wel iemand die eraan meewerkte.”

Een belangrijk begrip in de visie van LLW2050 zijn de leerecosystemen.

Vermeersch: “In leerecosystemen verbinden we regionale actoren die activiteiten aanbieden aan jong en oud, in een omgeving waar ze al doende kunnen kennismaken met nieuwe passies en interesses. Vanuit actie worden mensen zich bewust van hun talenten en van waar hun ‘goesting’ ligt. We brengen dus talentontwikkeling binnen in ruimtes en contexten die we klassiek misschien niet associëren met leren. Daar vinden mensen de kansen en mogelijkheden om hun talenten verder te ontwikkelen tot competenties. Door te denken in termen van leerecosystemen ga je ook talentontwikkeling binnenbrengen in andere ruimtes en contexten.”

“Heel wat mensen hebben niet zo’n positieve leerervaringen gehad en stappen daardoor niet meer met volle goesting een schoolgebouw binnen. Het is moeilijk om die goesting (terug) te vinden op plekken waar we zijn omdat we er moeten zijn, zoals de school of de werkvloer. Daarom gingen we op zoek naar de plaatsen waar je niet naartoe gaat omdat je moet, wel vanuit je interesse: de sportclub, musea, een jeugdhuis… Daar komt veel talent en kennis samen en ook mensen met een hulpvraag. Wie kan er leren van wie? Voor heel wat kinderen is huiswerk een probleem omdat de context thuis niet goed zit. Maar ze gaan misschien wel naar een sportclub, waar de ouderen de jongsten kunnen begeleiden. Er zijn veel plekken waar we samenkomen, die we niet echt durven vastpakken als leeromgevingen.”

“Zulke omgevingen zijn enorm belangrijk om je talent te ontdekken. Veel mensen weten niet echt waar ze goed in zijn, waar hun passie ligt, waar ze energie uithalen. We denken nog te vaak vanuit externe, negatieve prikkels: je moet leren, anders vind je geen job, verdien je geen geld. In de vrijwillige context, zoals je hobby’s of sport, kan je ontdekken wat jou ligt vanuit een intrinsieke motivatie. In een jeugdhuis of sportclub ontdek je misschien een talent voor organisatie of conflictbemiddeling. Vanuit een positieve prikkel zal je dat talent veel sneller ontwikkelen tot een carrière waar je hart in ligt. Maar we vergeten eigenlijk om die zelfreflectie te faciliteren. Dat willen we met de leerecosystemen juist wel doen.”

Binnen leerecosystemen is meervoudig ruimtegebruik een hefboom om samenwerking tussen diverse actoren en contexten te faciliteren. Daar komen wel wat uitdagingen bij kijken. Zo is er een belangrijke rol weggelegd voor de mensen die de ruimtes beheren.

Dudal: “We willen mensen zoveel mogelijk samenbrengen in gedeelde ruimtes, open voor iedereen, om het even wanneer het nodig is. Dan moet je dat ook organiseren in lijn met je visie. Iedereen een badge of sleutel geven en kastjes waar materiaal per organisatie achter slot en grendel gaat, dat is niet de bedoeling. Je hebt een soort campingbaas nodig, iemand die de plek kent en de doelstelling en waarden uitdraagt. Een goede huisbewaarder die aanspreekbaar is als er vragen zijn, maar ook een netwerker. Iemand die de juiste mensen naar de plek kan trekken, ze ontvangt en helpt de juiste contacten te leggen. Het concept van de brede school, waar allerlei activiteiten plaatsvinden, bestaat al 25 jaar. Maar veel scholen lopen er nog steeds op vast, omdat ze zulke mensen missen.”

Vermeersch: “Je merkt dat het teveel is voor één iemand om al die rollen te spelen. Die wordt gek. Iedereen kan zich een deel van die rol eigen maken, van de poetsvrouw tot de directeur. Daar hebben we bijvoorbeeld bij Maakleerplek in Leuven veel over geleerd. Goede leefregels afspreken was er heel belangrijk. Niet enkel praktisch, ook om een ander soort denken aan te moedigen. We zoeken naar een nieuw soort leiderschap; mensen die breed verzamelen en mobiliseren en dan in de diepte concrete actie faciliteren. Zo’n facilitator past niet in ons huidige beeld van wat productief werken is, want het is iemand die beschikbaar moet zijn, kan verbinden en vertragen. Iemand die de mentale tijd en ruimte heeft om op vragen in te spelen en opportuniteiten te zien. Hoeveel mensen ontdekken hun talent en hun passie niet omdat een goede begeleider het in hen gezien heeft en de tijd nam om daarover te praten? Het is niet in de ratrace, maar wel tijdens het babbeltje in de keuken waar je dat ontdekt. In leerecosystemen willen we ruimte en ruimtes die dat meer denkbaar maken.”

Heb je na het lezen van dit artikel zin om met je organisatie zelf deel uit te maken van leerecosysteem of er één op te zetten. Dat kan!

EuropaWSE heeft momenteel twee oproepen open staan voor organisaties die samen geïnteresseerd zijn om een leerecosysteem op te zetten. In oproep 66 “Leerecosystemen fase 1” (link: https://www.europawse.be/praktische-info/openstaande-oproepen/leerecosystemen-fase-1) krijgen organisaties tijd en ruimte om elkaar te leren kennen, te bekijken wat ze samen kunnen verwezenlijken en zich te organiseren als een organisatienetwerk. Oproep 65 “Leerecosystemen fase 2” (link: https://www.europawse.be/praktische-info/openstaande-oproepen/leerecosystemen-fase-2) krijgen mature organisatienetwerken de kans om direct in de actie te gaan door te experimenteren met interessante leercontexten gericht op burgers.

Beide oproepen werken met meerdere indieningsrondes, waarbij er ook een duidelijk groeipad is van fase 1 naar fase 2.