Openingsspeech Grenzeloos gebruik (Suzan Langenberg)

bedrijf:
Diversity bvba

Op 30 maart 2009 werden de laureaten en winnaar van de wedstrijd ‘Ontdek het eeuwige leven – Grenzeloos Gebruik’ bekendgemaakt. Met de wedstrijd wou minister Van Brempt Vlaamse bedrijven, organisaties en studenten productontwikkeling aanzetten om aan de slag te gaan met de principes van Cradle to Cradle. Het openingswoord was gegund aan Suzan Langenberg (Diversity bvba). Lees hieronder haar speech:

"Welkom allen op deze dag, georganiseerd door het kabinet van Minister Van Brempt met de uitdagende titel Grenzeloos gebruik. De Franse filosoof Bataille formuleerde het grenzeloze als het ‘vervloekte teveel’ waarmee hij vooral doelde op de mens met teveel aan energie, die niet stil kan zitten en alles moet uitgeven … U ziet, een dergelijk thema kent vele associaties.

Het is niet voor niets dat dit evenement met de titel ‘Grenzeloos gebruik’ door minister Van Brempt is ingericht en er vanavond een prijs gaat uitgereikt gaat worden aan het bedrijf dat volgens de jury op dit moment het best volgens het C2C principe produceert.

Een belangrijk kenmerk van het beleid van Minister Van Brempt is de relatie die zij expliciet legt tussen de thema’s sociale economie, mobiliteit en gelijke kansen en het duurzaamheidsvraagstuk. Ondernemen is wat haar betreft een maatschappelijke taak die voortdurend verantwoord moet worden naar de burger en de werknemer. Het creëren van meerwaarde in het voordeel van de samenleving, één van kerndoelstellingen van de sociale economie, is een duurzame benadering. Een wederzijdse en evenwichtige relatie tussen onderneming en samenleving realiseren is dat ook. We kunnen dus vaststellen dat de principes van de sociale economie het thema van vandaag zeer dicht naderen.

Met Minister Van Brempt ben ik in contact gekomen toen het Vlaams netwerk voor zakenethiek voor het EI van MVO financiële ondersteuning zocht. Het EI van MVO was de titel van een prijs die aan de beste thesis en aan het beste doctoraat over het thema MVO werd uitgereikt. Later kwam er de financiering van het project DOEN bij, een project dat MVO-denken en toepassingen ervan in universiteiten en hogescholen moet stimuleren.

Ikzelf ben bedrijfsethicus en een inwijkeling. Toen ik op mijn 14de langzaam maar zeker de wereld ging ontdekken was net het rapport van de Club van Rome Limits of Growth uitgekomen. Ik herinner me vooral het debat over ‘zure regen’. Ik wist niet wat ik me moest voorstellen bij zure regen maar zag wel beelden van Het zwarte woud in Zuid Duitsland (waar ik net op vakantie was geweest) met hele groepen kale bomen. Een belangrijke biotoop voor de instandhouding van een natuurlijk evenwicht was bedreigd. De tekeningen die we maakten en aan de muren van de lange schoolgangen hingen schetsten fabrieken, zwarte rook, grijze lucht en bomen zonder blad. Ik werd vegetariër, vervolgens macrobioot en hulde me enkel in tweedehandskleding tot ergernis van mijn ouders. Een wanhoopsdaad uit schuldgevoel?
Er was meer: de eerste waarschuwingen met betrekking tot uitputting van hulpbronnen, onbeheersbare groei van de wereldbevolking, excessieve voedselproductie kwamen op onze agenda. In het vervolg op dit rapport 20 jaar later Beyond the limits klonk de alarmbel alleen maar luider.
We zijn inmiddels 40 jaar verder: 40 jaar van discussie, zorgwekkende milieurampen, doemscenario’s, internationale milieucongressen en gelukkig vooral ook 40 jaar van ‘leren’!
We weten meer, we weten ook beter wat we niet weten én we weten dat datgene wat we weten niet de absolute waarheid is.

Er is een kentering zichtbaar in het duurzaamheidsvraagstuk. Duurzaamheid is een rationeel en technisch verhaal geworden, leunend op dezelfde economische uitgangspunten als 30-40 jaar geleden die het toen radicaal bestreed. Duurzaamheid is opgeklommen tot een vooralsnog westerse maatstaf van vooruitgang en is een vorm van legitimatie geworden. Duurzaamheid wordt niet langer geassocieerd met de radicale kritiek op de vooruitgang, zoals het rapport van de Club van Rome opgesteld was. Duurzaamheid is inmiddels opgenomen in een breed pakket van internationale wet- en regelgeving die in haar logica voorbij dreigt te gaan aan de oorspronkelijke doelstelling van duurzaamheid. De radicale kritiek is weggeëbd en vervangen door regelgeving die soms tot meer schadelijke effecten leidt dan ze wil voorkomen. Het is een middel geworden om ‘de ander’ in westerse zin te beschaven. Duurzaamheid is trendy en levert op. Dit mag en het is heel goed dat het gebeurd is.
Toch blijven de vragen naar het doel van duurzaamheid steeds vaker achterwege. Een mooi voorbeeld is de logica van recycling van bijvoorbeeld papier, staal en karton waarbij het hergebruik vaak meer milieu- en andere kosten met zich meebrengt dan dat het aan milieubesparende maatregelen oplevert.
Daarnaast heeft de groene revolutie ook grote gevolgen gehad in relatie tot de armere landen: eerst moest de lokale agrarische sector plaats maken voor de westerse agromultinationals. Vandaag worden de daar nog overgebleven natuurgebieden beschermd tegen hun eigen bevolking! Dit betekent voor die lokale bevolking dat ze hun tradities en ontwikkeling voor de zoveelste keer in de geschiedenis moeten staken ten voordele van het in stand houden van biodiversiteit in het belang van de gehele planeet. De gebieden ongerepte natuur met grote biodiversiteit liggen ironisch gezien op die plaatsen waar een grote noodzaak aan ontwikkeling leeft.

McDonough en Braungart, de pioniers op het gebied van cradle to cradle, maken in hun gelijknamige boek terecht de opmerking dat in west-europa duurzaamheid benaderd wordt vanuit een schuldgevoel: alles moet minder (consuminderen), we moeten de last op de omgeving verminderen en we moeten soberder gaan leven door een deel van onze welvaart in te leveren. In deze opvatting wordt het succes van duurzaamheid gepersonaliseerd. Is dit niet té simpel geredeneerd? Wordt (persoonlijke) ontwikkeling en creativiteit niet gefrustreerd wanneer de schuldvraag om de hoek loert? Dit leidt enkel volgens Braungart en McDonough tot het in stand houden van het klassieke productiemodel: cradle to Grave. Volgens hen moeten we niet minder maar meer consumeren van minder vervuilende producten waarbij het restafval teruggegeven kan worden aan technische en biologische kringlopen. Dit gaat een stap verder dan het eco-efficiënte denken en handelen, de basispremisse van het duurzaam produceren.

Naast het idee dat wat we produceren en nemen van de natuur dit ook in een evenredige relatie moet staan met wat we kunnen teruggeven aan de natuur, gebeurt er nog iets anders. Door na te denken over deze wederkerige relatie zijn we tegelijkertijd bezig het vooruitgangsidee van altijd meer en beter los te koppelen van het bereiken van een zekere materiele welvaart. Niet meer en beter, maar ontwikkeling, diepgang en het kritisch doordenken van processen in hun uiteindelijke effect op natuurlijke kringlopen gaat tot de definitie van materiele welvaart behoren. Ontwikkeling, diepgang, doordenken… kortom de confrontatie met die complexiteit is een onderdeel van zorgen voor… En dit alles temidden van een onzekere toekomst.

Dus naast ‘Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen’ en duurzaamheid komt de zin en betekenis van het produceren voor de samenleving als geheel steeds explicieter op de welzijnsagenda. Bedrijven creëren waarde(n) is inmiddels een algemeen aanvaarde stelling.
Daarnaast vervullen ze een dominante rol in de ontwikkeling van wetenschap en samenleving. Het bedrijfsleven als spil van de markteconomie is de motor achter ontwikkelingen op het vlak van mobiliteit, migratie, technologie en energie: het zoekt en creëert voortdurend een marktgericht antwoord op (vermoede) behoeften. Dit is zowel een creatief als een manipulatief proces.
De Griekse wijsgeer Aristoteles maakte al het onderscheid tussen oikonomia (zorg voor de huishouding) en chrematistikè (ruilhandel en geldgewin) . In de geschiedenis van het denken is dit thema geproblematiseerd in de spanning tussen economie en ethiek, tussen grensoverschrijding en binnen grenzen blijven. Economie en ethiek roepen elkaar op en sluiten elkaar uit.
In de geschiedenis is deze spanning zowel vanuit de economie als vanuit de ethiek gezien als een te bestrijden tegenstelling terwijl het in principe twee noodzakelijke en complementaire componenten zijn van zorg.
Wat de economie betreft is de zorg gericht op zowel de in standhouding van de samenleving (oikonomia) als ook de overschrijding van haar grenzen (chrematistikè).
Wat ethiek betreft is de zorg gericht op in stand houden van rechtvaardigheid en gelijkheid maar ook op het oefenen van kritiek, het oefenen van ontvoogding. Deze spanningen en mogelijke tegenstellingen zijn onmisbaar voor het veranderen, ontwikkelen en vernieuwen. Dit spanningsveld vinden we ook in de natuur: de natuur kent verspilling en overvloed, het vervloekte teveel? Deze verspilling is inherent aan de vitaliteit van de natuur, de drijfveer voor ontwikkeling, leren en dus overleving.
De spanning tussen economie en ethiek, tussen produceren en reflecteren, tussen nemen en geven zou niet moeten worden bestreden maar moeten worden opgevat als de leidraad van de economie. Het begrijpen van deze complexe wisselwerking is de maatschappelijk verantwoorde leidraad voor een ongewisse toekomst.

Ter afsluiting van mijn inleiding wil ik nog enkele uitspraken van het westerse verlichtingsicoon, de filosoof Immanuel Kant – eind 18de eeuw - verwoorden. Zijn 3 kernvragen waren: Wat kan ik weten, wat mag ik hopen, wat moet ik doen? Dit zijn volgens mij drie vragen die het denken en doen rond het thema ‘afval = voedsel’ kunnen flankeren!

  1. Wat kan ik weten? Wanneer we de denktrant achter ‘afval = voedsel volgen begint deze in de eerste plaats met het durven doordenken van onze productieketens van A tot Z zonder schuldgevoel! Verantwoordelijk zijn voor wat er met onze omgeving gebeurt kan niet gebouwd worden op schuld en de aflossing ervan, wél op de wil en behoefte een antwoord te formuleren op de negatieve effecten van ons handelen. Antwoorden formuleren is maar mogelijk op basis van verbeeldingskracht en het willen weten.
    Wat kan ik weten? Het automobielbedrijf Ford Detroit wist dat zijn terreinen vervuild waren. Het bedrijf kón het weten en wilde het ook weten en heeft vervolgens gehandeld naar wat het volgens dat weten moest doen: een integraal debat opstarten in de kelder van het bedrijf met de direct en indirect belanghebbenden over hoe het terrein schoon te maken en hoe eco-effectiever te gaan produceren.
  2. Wat mag ik hopen? De geschiedenis toont ons dat het behoud van wat er is maar mogelijk is door het uitbreiden en ontwikkelen van nieuwe mogelijkheden, door confrontaties met de ander, het andere. Zonder inspiratie, intrinsieke motivatie en verlangen is dit een ondenkbaar proces. Bijvoorbeeld de historicus David Landes sluit zijn historisch onderzoek onder de titel Arm en Rijk af met de vaststelling dat de geschiedenis bewijst dat er zonder hoop geen positieve energie beschikbaar is om te overleven. Naast het bezit van materiele rijkdommen hebben slechts die culturen overleefd die tot optimisme, zelfkritiek en ondernemingszin in staat waren . En dit komt overeen met wat de Grieken onder zorg verstonden.
    Het doordenken van de effecten van productieprocessen op mens en omgeving durft men pas aan te gaan wanneer er optimisme bestaat. Optimisme kan leiden tot een wel overwogen handelen.
  3. Wat moet ik doen? Deze vraag was voor Kant gebaseerd op de ethiek. Diezelfde West-Europese Verlichtingsfilosoof Kant heeft ooit de historische uitspraak gedaan:
    Sapere aude: durf te denken! en ‘Stap uit een zelf veroorzaakte onmondigheid!’ Handelen vanuit schuldbesef en boetedoening is in feite een bevestiging van die onmondigheid.

Zowel het willen weten, het hopen als het doen vergen een grote dosis moed namelijk het durven onder ogen komen hoe het is en daarin het willen betrekken van de ander en anderen door verschillende wetenschappelijke, economische en sociale visies op eco-effectiviteit van productieprocessen af te wegen.
Het weten, hopen en doen in een isolement is onmogelijk. De dialoog, het gesprek, het debat aangaan met de ander/het andere is een noodzakelijke voorwaarde om de volgende stap te zetten. Dit is een dialoog waarvan de uitkomst steeds onzeker is maar ons niet hoeft te weerhouden ze aan te gaan.

Openheid, transparantie, samenwerking en integriteit zijn hierin kernbegrippen die we steeds opnieuw moeten verwerven en bedingen in een duurzaam overleg.

Als laatste wil ik deze beeldspraak van de filosoof Leo Beyers aan u voorleggen :
Wist u dat we voortdurend op afval = uitademing spreken? Het spreken kunnen we onder andere beschouwen als het antwoorden aan de ander…, het teruggeven van een woord op datgene wat je van de ander gehoord hebt. Het antwoord als voedsel."

Uw selectie

  • Bank, verzek., post, telecom
  • Publicaties
  • Cradle to cradle en ecodesign
Terug naar selectie


Navigatie


Zoeken



© MVO Vlaanderen Koning Albert-II laan 35 bus 20, 1030 Brussel info@mvovlaanderen.be tel. 03 205 91 69 disclaimer naar boven
Deze website draagt het Anysurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites