<![CDATA[MVO | Nieuws]]> http://www.mvovlaanderen.be/feed/nieuws Thu, 02 Feb 2012 23:00:00 +0000 Fratello nl http://blogs.law.harvard.edu/tech/rss <![CDATA[Duurzame business model innovatie motiveert medewerkers]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/duurzame-business-model-innovatie-motiveert-medewerkers Een nieuwe manier van denken in het bedrijf, elkaar inspireren en samen aan een duurzame toekomst werken. Duurzame business model innovatie heeft niet alleen invloed op één handeling in het bedrijf; het hele bedrijf wordt meegetrokken in de positieve stroming van duurzaamheid.

Het effect van duurzaam innoveren
De voorbije zes maanden werd er in Vlaanderen onderzoek uitgevoerd in het kader van duurzame business model innovatie. Tien middelgrote productiebedrijven (max. 250 FTE’s) waren onderwerp van dit onderzoek. Ieder participerend bedrijf implementeerde een innovatieproject. De aanpak was verschillend, maar het doel was gelijk: het doen opleven van duurzaamheid in het bedrijf. 

Enkele voorbeelden van de veranderingen die naar aanleiding van deze innovatieprojecten zijn gemaakt:
-    Productieprocessen zijn duurzamer gemaakt door minder materiaalverbruik, efficiëntere aansluiting van processen en machines alleen draaiende houden als dat nodig is.
-    Nieuwe duurzame producten zijn in productie genomen. Door kurk te laten sorteren bij een sociale organisatie kan dit bij productiebedrijven van isolatiematerialen verder gebruikt worden.
-    Nieuws in duurzaamheid wordt gestructureerd bijgehouden om vanaf het eerste moment te profiteren van nieuwe technologieën.

De medewerkers reageren sterk op de verandering van de bedrijfsvoering. De nieuwe focus in het bedrijf verandert de hele bedrijfsmentaliteit. Zo wordt duurzaam en innovatief denken wordt gestimuleerd, wat leidt tot een vernieuwende en verbeterde bedrijfssfeer.

Onderzoekresultaten
Opvallend tijdens het onderzoek waren de verschillen in benadering van duurzaam ondernemen van reguliere bedrijven ten opzichte van sociale bedrijven. De projecten varieerden van inhoud en duur met elkaar. De duidelijkste verschillen waren:
-    De projectduur rond duurzaamheid is bij de sociale economie langer dan in de reguliere economie. Meer tijd wordt besteed aan voorbereidend onderzoek.
-    De financiële kosten spelen bij de sociale economie een grotere rol. Omdat inkomsten worden geïnvesteerd in de organisatie is het van belang dat een project oplevert en het geld op een lucratieve manier wordt geïnvesteerd.
-    De invloed op de medewerkers dat een duurzaam businessmodel heeft, telt in de sociale economie meer mee dan in de reguliere economie. De tewerkstelling van medewerkers en de variatie in de mogelijke activiteiten zijn een grote motivatie voor duurzaam ondernemen.

Verder werden naast de bedrijfsmanagers meer dan 30 personen ondervraagd die economie gestudeerd hebben of in deze sector werkzaam zijn. Uit dit onderzoek bleek dat 70% van de ondervraagden een concurrentievoordeel ziet voor een duurzaam bedrijf.

Aandacht voor duurzaamheid onder medewerkers wordt gestimuleerd door ervaringen te delen met het hele bedrijf, resultaten te zien in vermindering van het energieverbruik en ontwikkelingen te ontdekken in de mogelijkheden rond duurzaamheid.

Motivatie van de managers of leidinggevenden is een kernelement in de verandering naar een duurzaam businessmodel. Tijdens het innovatieproces is het van belang dat er wordt meegedacht uit verschillende bedrijfsafdelingen en dat ruim denken wordt gestimuleerd.

Inge Baars
Trainee BECO België

]]>
Een nieuwe manier van denken in het bedrijf, elkaar inspireren en samen aan een duurzame toekomst werken. Duurzame business model innovatie heeft niet alleen invloed op één handeling in het bedrijf; het hele bedrijf wordt meegetrokken in de positieve stroming van duurzaamheid.

Het effect van duurzaam innoveren
De voorbije zes maanden werd er in Vlaanderen onderzoek uitgevoerd in het kader van duurzame business model innovatie. Tien middelgrote productiebedrijven (max. 250 FTE’s) waren onderwerp van dit onderzoek. Ieder participerend bedrijf implementeerde een innovatieproject. De aanpak was verschillend, maar het doel was gelijk: het doen opleven van duurzaamheid in het bedrijf. 

Enkele voorbeelden van de veranderingen die naar aanleiding van deze innovatieprojecten zijn gemaakt:
-    Productieprocessen zijn duurzamer gemaakt door minder materiaalverbruik, efficiëntere aansluiting van processen en machines alleen draaiende houden als dat nodig is.
-    Nieuwe duurzame producten zijn in productie genomen. Door kurk te laten sorteren bij een sociale organisatie kan dit bij productiebedrijven van isolatiematerialen verder gebruikt worden.
-    Nieuws in duurzaamheid wordt gestructureerd bijgehouden om vanaf het eerste moment te profiteren van nieuwe technologieën.

De medewerkers reageren sterk op de verandering van de bedrijfsvoering. De nieuwe focus in het bedrijf verandert de hele bedrijfsmentaliteit. Zo wordt duurzaam en innovatief denken wordt gestimuleerd, wat leidt tot een vernieuwende en verbeterde bedrijfssfeer.

Onderzoekresultaten
Opvallend tijdens het onderzoek waren de verschillen in benadering van duurzaam ondernemen van reguliere bedrijven ten opzichte van sociale bedrijven. De projecten varieerden van inhoud en duur met elkaar. De duidelijkste verschillen waren:
-    De projectduur rond duurzaamheid is bij de sociale economie langer dan in de reguliere economie. Meer tijd wordt besteed aan voorbereidend onderzoek.
-    De financiële kosten spelen bij de sociale economie een grotere rol. Omdat inkomsten worden geïnvesteerd in de organisatie is het van belang dat een project oplevert en het geld op een lucratieve manier wordt geïnvesteerd.
-    De invloed op de medewerkers dat een duurzaam businessmodel heeft, telt in de sociale economie meer mee dan in de reguliere economie. De tewerkstelling van medewerkers en de variatie in de mogelijke activiteiten zijn een grote motivatie voor duurzaam ondernemen.

Verder werden naast de bedrijfsmanagers meer dan 30 personen ondervraagd die economie gestudeerd hebben of in deze sector werkzaam zijn. Uit dit onderzoek bleek dat 70% van de ondervraagden een concurrentievoordeel ziet voor een duurzaam bedrijf.

Aandacht voor duurzaamheid onder medewerkers wordt gestimuleerd door ervaringen te delen met het hele bedrijf, resultaten te zien in vermindering van het energieverbruik en ontwikkelingen te ontdekken in de mogelijkheden rond duurzaamheid.

Motivatie van de managers of leidinggevenden is een kernelement in de verandering naar een duurzaam businessmodel. Tijdens het innovatieproces is het van belang dat er wordt meegedacht uit verschillende bedrijfsafdelingen en dat ruim denken wordt gestimuleerd.

Inge Baars
Trainee BECO België

]]>
Thu, 02 Feb 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Tips voor het samenwerken met een NGO]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/tips-voor-het-samenwerken-met-een-ngo 1. Campagne moet 101% kloppen

Ok het is een inkopper, maar toch een hele belangrijke. Je kan er als bedrijf en NGO van overtuigd zijn dat je campagne staat als een huis, maar als dan later blijkt dat-ie niet geheel waterdicht is, zal alle aandacht van de kritische burger, blogger of journalist naar de twijfel gaan, in plaats van naar je boodschap. Voorbeeld. In maart a.s. starten wij samen met de Bijenstichting en Bionext de campagne “Bijen houden van Biologisch!”  In eerste instantie wilden wij benadrukken hoe slecht pesticiden zijn voor bijen (en dat is echt zo!).  Toch zijn er nog een aantal mensen (vooral de producenten van deze chemische middelen) die claimen dat deze hulpmiddelen helemaal niet zo slecht zijn.  Aangezien wij geen zin hebben in een grote openbare discussie over dit onderwerp, hebben wij ervoor gekozen om juist een positieve campagne te voeren met als titel “Bijen houden van Biologisch!”

2. Intern draagvlak
Het is van enorm belang dat er niet alleen aan de externe communicatie wordt gewerkt, maar juist ook intern. Dus binnen je eigen organisatie én die van de NGO. Voordat je naar buiten treedt, moet iedereen niet alleen goed op de hoogte zijn maar ook achter de campagne staan. Anders wordt zo’n campagne intern al snel afgeschilderd als een marketingtruc en daar zit niemand op te wachten. M.b.t. de bijencampagne: om intern draagvlak te creëren organiseren wij lunchpresentaties, nodigen wij sprekers uit en stond het kerstpakket geheel in het teken van de bij!

3. Zoek de geschikte partner voor je campagne / bedrijf
Klinkt logisch en dat is het ook. Zoek de match. Afgelopen jaar voerden wij de Nature & More campagne “Vogels houden van Biologisch”. In eerste instantie zat ik aan tafel met het Wereld Natuur Fonds omdat ik daar toevallig wat leuke contacten had. Maar het WNF is veel meer “Panda”, IJsbeer” en “Orang-oetan” dan “Merel”, “Mus”of “Koolmees”… Dus zat ik een week later tegenover de geschikte campagnepartner, de Vogelbescherming, waarmee wij vervolgens een succesvolle actie hebben gevoerd (code 680 op natureandmore.com).

4. Simpele Boodschap
Een consument moet direct snappen waarom een bedrijf samenwerkt met een bepaalde organisatie, anders haakt hij af. Een goed voorbeeld is de “1 pak = 1 vaccin” campagne van Pampers en Unicef. De boodschap is simpel en effectief: door de aanschaf van luiers help je ook een baby in een arm land – punt!

5. Minimaal Win-Win-Win-Win
En ten slotte .. er moeten minimaal 4 partijen “winnen”, liefst nog meer … In elk geval de NGO, je bedrijf, de consument en uiteraard het doel waarvoor je gaat. Als de campagne is afgerond moet er niemand met een bittere nasmaak zitten.

Bron: Grensverleggers, gesteund door MVO Nederland

]]>
1. Campagne moet 101% kloppen

Ok het is een inkopper, maar toch een hele belangrijke. Je kan er als bedrijf en NGO van overtuigd zijn dat je campagne staat als een huis, maar als dan later blijkt dat-ie niet geheel waterdicht is, zal alle aandacht van de kritische burger, blogger of journalist naar de twijfel gaan, in plaats van naar je boodschap. Voorbeeld. In maart a.s. starten wij samen met de Bijenstichting en Bionext de campagne “Bijen houden van Biologisch!”  In eerste instantie wilden wij benadrukken hoe slecht pesticiden zijn voor bijen (en dat is echt zo!).  Toch zijn er nog een aantal mensen (vooral de producenten van deze chemische middelen) die claimen dat deze hulpmiddelen helemaal niet zo slecht zijn.  Aangezien wij geen zin hebben in een grote openbare discussie over dit onderwerp, hebben wij ervoor gekozen om juist een positieve campagne te voeren met als titel “Bijen houden van Biologisch!”

2. Intern draagvlak
Het is van enorm belang dat er niet alleen aan de externe communicatie wordt gewerkt, maar juist ook intern. Dus binnen je eigen organisatie én die van de NGO. Voordat je naar buiten treedt, moet iedereen niet alleen goed op de hoogte zijn maar ook achter de campagne staan. Anders wordt zo’n campagne intern al snel afgeschilderd als een marketingtruc en daar zit niemand op te wachten. M.b.t. de bijencampagne: om intern draagvlak te creëren organiseren wij lunchpresentaties, nodigen wij sprekers uit en stond het kerstpakket geheel in het teken van de bij!

3. Zoek de geschikte partner voor je campagne / bedrijf
Klinkt logisch en dat is het ook. Zoek de match. Afgelopen jaar voerden wij de Nature & More campagne “Vogels houden van Biologisch”. In eerste instantie zat ik aan tafel met het Wereld Natuur Fonds omdat ik daar toevallig wat leuke contacten had. Maar het WNF is veel meer “Panda”, IJsbeer” en “Orang-oetan” dan “Merel”, “Mus”of “Koolmees”… Dus zat ik een week later tegenover de geschikte campagnepartner, de Vogelbescherming, waarmee wij vervolgens een succesvolle actie hebben gevoerd (code 680 op natureandmore.com).

4. Simpele Boodschap
Een consument moet direct snappen waarom een bedrijf samenwerkt met een bepaalde organisatie, anders haakt hij af. Een goed voorbeeld is de “1 pak = 1 vaccin” campagne van Pampers en Unicef. De boodschap is simpel en effectief: door de aanschaf van luiers help je ook een baby in een arm land – punt!

5. Minimaal Win-Win-Win-Win
En ten slotte .. er moeten minimaal 4 partijen “winnen”, liefst nog meer … In elk geval de NGO, je bedrijf, de consument en uiteraard het doel waarvoor je gaat. Als de campagne is afgerond moet er niemand met een bittere nasmaak zitten.

Bron: Grensverleggers, gesteund door MVO Nederland

]]>
Thu, 02 Feb 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Resultaten van de VIONA – studie ‘ISO 26000 en GRI zichtbaar en doenbaar maken in Vlaanderen’ ]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/resultaten-van-de-viona-studie-iso-26000-en-gri-zichtbaar-en-doenbaar-maken-in-vlaanderen Een jaar na de publicatie van de ISO 26000 – Richtlijn voor maatschappelijke verantwoordelijkheid, wint de richtlijn nog steeds aan bekendheid. Ook het Global Reporting Initiative wordt met de steun van heel wat stakeholders ingezet om duurzaamheidsverslaggeving tot een hoger niveau te tillen. Intussen heeft de Europese Commissie een ‘vernieuwde EU-strategie 2011 – 2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen’ bekend gemaakt. Tal van andere initiatieven, niet altijd gedragen door stakeholders, zijn in ontwikkeling of worden voorgesteld.

Het VIONA-onderzoeksrapport omtrent ‘Duurzaam ondernemen zichtbaar en doenbaar maken in Vlaanderen’ lijkt bijgevolg op een belangrijk moment te komen. Het rapport geeft precies weer wat ISO 26000 en GRI inhouden, hoe de richtlijnen kunnen vertaald worden naar de Vlaamse context, hoe het nu verder moet en hoe steunmaatregelen van de Vlaamse overheid hierop kunnen inhaken.
De studieopdracht werd uitgevoerd door een samenwerkingsverband tussen UNU-CRIS, (United Nations University - Comparative Regional Integration Studies), RCE-SNS (Regional Centre of Expertise – Southern North Sea) en Howest (Hogeschool West-Vlaanderen) en opgesteld door de Vlaamse Overheid – Departement Werk en Sociale Economie.

In de eerste fase van het onderzoek ging men onder andere op zoek naar mogelijke begeleidingstools voor het implementeren van ISO 26000. De twee prominentste voorbeelden zijn AFNOR en de begeleiding voorgesteld door NEN (Nederlandse Norm). Andere tools zijn te raadplegen in het volledige rapport. Vervolgens zocht men ook naar begeleidinstrumenten voor het opmaken van een duurzaamheidsverslag volgens de GRI-richtlijnen. Deze worden aangeboden door GRI, ook voor KMO’s. Toch blijft het voor vele KMO’s nog moeilijk om zonder externe begeleiding een eerste duurzaamheidsverslag op te maken. Daarom hebben de onderzoekers zelf een Excel-bestand met checklist en inhoudsopgave opgesteld. De onderzoekers deden ook inspanningen om een koppelingsdocument op te stellen om prestaties in het kader van ISO 26000 van een organisatie te linken met de GRI-richtlijnen.

De tweede fase van het onderzoek betreft de werkzaamheid van de eerder opgenoemde richtlijnen in de praktijk. 15 Vlaamse organisaties werkten mee. ISO 26000 was al in beperkte mate gekend bij de organisaties voor het onderzoek. Internationale bruikbaarheid en volledigheid werden aanschouwd als de grootste troeven van de richtlijn. ISO 26000 werd wel verweten te theoretisch en veelomvattend te zijn.
GRI was toch nog beter bekend bij de participerende organisaties dan ISO 26000. De uniformiteit van duurzaamheidsverslaggeving werd als groot voordeel van de richtlijn beschouwd. Nadelen als het niet sectorgericht karakter van de richtlijn werden minder onderlijnd.

Vervolgens werden de begeleidingsinstrumenten geëvalueerd. De AFNOR-tool werd veel positiever beoordeeld dan de NEN-handleiding. Ook de Excel-tool opgesteld door de onderzoekers werd warm onthaald. Het koppelingsinstrument ISO 26000 – GRI werd als bruikbaar maar voorbarig aanschouwd.
Over het algemeen bleven de organisaties van oordeel dat externe begeleiding bij de integratie van deze MVO-richtlijnen aan te raden is. De meerderheid van de participerende organisaties vond ook een financiële tegemoetkoming van de Overheid zeker niet overbodig.

Het volledige rapport is te lezen via deze link.

Fleur Mercelis

]]>
Een jaar na de publicatie van de ISO 26000 – Richtlijn voor maatschappelijke verantwoordelijkheid, wint de richtlijn nog steeds aan bekendheid. Ook het Global Reporting Initiative wordt met de steun van heel wat stakeholders ingezet om duurzaamheidsverslaggeving tot een hoger niveau te tillen. Intussen heeft de Europese Commissie een ‘vernieuwde EU-strategie 2011 – 2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen’ bekend gemaakt. Tal van andere initiatieven, niet altijd gedragen door stakeholders, zijn in ontwikkeling of worden voorgesteld.

Het VIONA-onderzoeksrapport omtrent ‘Duurzaam ondernemen zichtbaar en doenbaar maken in Vlaanderen’ lijkt bijgevolg op een belangrijk moment te komen. Het rapport geeft precies weer wat ISO 26000 en GRI inhouden, hoe de richtlijnen kunnen vertaald worden naar de Vlaamse context, hoe het nu verder moet en hoe steunmaatregelen van de Vlaamse overheid hierop kunnen inhaken.
De studieopdracht werd uitgevoerd door een samenwerkingsverband tussen UNU-CRIS, (United Nations University - Comparative Regional Integration Studies), RCE-SNS (Regional Centre of Expertise – Southern North Sea) en Howest (Hogeschool West-Vlaanderen) en opgesteld door de Vlaamse Overheid – Departement Werk en Sociale Economie.

In de eerste fase van het onderzoek ging men onder andere op zoek naar mogelijke begeleidingstools voor het implementeren van ISO 26000. De twee prominentste voorbeelden zijn AFNOR en de begeleiding voorgesteld door NEN (Nederlandse Norm). Andere tools zijn te raadplegen in het volledige rapport. Vervolgens zocht men ook naar begeleidinstrumenten voor het opmaken van een duurzaamheidsverslag volgens de GRI-richtlijnen. Deze worden aangeboden door GRI, ook voor KMO’s. Toch blijft het voor vele KMO’s nog moeilijk om zonder externe begeleiding een eerste duurzaamheidsverslag op te maken. Daarom hebben de onderzoekers zelf een Excel-bestand met checklist en inhoudsopgave opgesteld. De onderzoekers deden ook inspanningen om een koppelingsdocument op te stellen om prestaties in het kader van ISO 26000 van een organisatie te linken met de GRI-richtlijnen.

De tweede fase van het onderzoek betreft de werkzaamheid van de eerder opgenoemde richtlijnen in de praktijk. 15 Vlaamse organisaties werkten mee. ISO 26000 was al in beperkte mate gekend bij de organisaties voor het onderzoek. Internationale bruikbaarheid en volledigheid werden aanschouwd als de grootste troeven van de richtlijn. ISO 26000 werd wel verweten te theoretisch en veelomvattend te zijn.
GRI was toch nog beter bekend bij de participerende organisaties dan ISO 26000. De uniformiteit van duurzaamheidsverslaggeving werd als groot voordeel van de richtlijn beschouwd. Nadelen als het niet sectorgericht karakter van de richtlijn werden minder onderlijnd.

Vervolgens werden de begeleidingsinstrumenten geëvalueerd. De AFNOR-tool werd veel positiever beoordeeld dan de NEN-handleiding. Ook de Excel-tool opgesteld door de onderzoekers werd warm onthaald. Het koppelingsinstrument ISO 26000 – GRI werd als bruikbaar maar voorbarig aanschouwd.
Over het algemeen bleven de organisaties van oordeel dat externe begeleiding bij de integratie van deze MVO-richtlijnen aan te raden is. De meerderheid van de participerende organisaties vond ook een financiële tegemoetkoming van de Overheid zeker niet overbodig.

Het volledige rapport is te lezen via deze link.

Fleur Mercelis

]]>
Tue, 31 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Resultaten van het ESF – project: Bevorderen van duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/resultaten-van-het-esf-project-bevorderen-van-duurzaam-en-transparant-ondernemen-in-vlaanderen In het kader van een transnationaal project van het Europees Sociaal Fonds (ESF) werkt het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid samen met de Vlaamse werkgeversorganisaties VOKA, UNIZO en VERSO. Het project Bevorderen van duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen moet antwoord bieden op volgende uitdagingen:
•    hoe kunnen Vlaamse organisaties, bedrijven en overheden MVO beter integreren en toepassen in de organisatie, alsook hierover communiceren,
•    welke instrumenten en methodieken uit andere EU landen kunnen hierbij helpen,
•    en welke beleidsinstrumenten kan de overheid gebruiken om MVO te bevorderen.

Hiervoor werd gekeken naar goede praktijken in andere EU-landen. Het project bestaat uit drie fasen:
1.    Een inventarisatie van interessante praktijkvoorbeelden, methodieken en instrumenten uit andere EU-lidstaten en regio’s (Denemarken, Oostenrijk, Catalonië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk)  (afgerond in 2011)

2.    Via studiebezoeken aan en bijeenkomsten met een aantal organisaties in enkele van die landen en regio’s tot verdere inzichten in die instrumenten komen en aanbevelingen formuleren voor gebruik in de Vlaamse context, (Afgerond in januari 2012)

3.    Op basis van de resultaten pilootprojecten opzetten in Vlaanderen.

Resultaten

De rol van de overheid in de verschillende onderzochte landen/regio’s blijkt zeer divers te zijn. Toch wordt er meestal gefocust op het belang  van een continu beleid. Sommige landen hebben ook geïnvesteerd in een nationale MVO-norm, die vaak ook certificeerbaar blijkt te zijn. Dit is bij de internationale norm ISO 26000 niet het geval. Opvallend is de aandacht die de Deense overheid heeft voor MVO, zeker in kader van hun EU-voorzitterschap dit jaar. De rol van de bedrijfsorganisaties in de onderzochte landen/regios is niet te verwaarlozen, toch beperkt. Hun meest prominente rol is het ontwikkelen van begeleidingstools op maat van de (sub)sector.  Tenslotte werd de rol van andere stakeholders onderzocht.  De onderzoekers vonden een spanningsveld tussen de klassieke sociale dialoog (werkgevers – werknemers) en stakeholderoverleg rond het thema MVO. Hoewel vakbonden deel uitmaken van de klassieke sociale dialoog (en in sommige landen wordt dat overleg betrokken bij het beleid van de overheid inzake MVO), nemen ze niet het voortouw wanneer het gaat over MVO. Werkgeversorganisaties doen dit over het algemeen meer. De NGO’s, tenslotte, spelen soms wel, soms niet een rol, maar steevast op het tweede plan. Andere stakeholders met een actieve rol konden moeilijk worden geïdentificeerd. Toch is het zo dat bij het bestaan van een Raad voor MVO ook andere stakeholders naar voor treden.

Samenvattend kan aangegeven worden dat volgende factoren in min of meerdere mate een rol spelen: de internationale context (de invloed van de Europese Commissie, het bestaan van de UN Global Compact en GRI, multinationals, etc.) en educatie (eventuele samenwerking met business schools).  Al is de rol van educatie moeilijker in te schatten. De opleiding van studenten in MVO-onderwerpen wordt bij de besproken landen niet beschouwd als een prioritair actiepunt.

Prof. Dr. Mazijn, die dit onderzoek leidde, maakte volgende conclusies:
•    de overheden die een echte MVO-coördinatie door de overheid hebben opgezet (Denemarken, Catalonië), noemen dit als een plus-punt, de andere beschouwen het afwezig zijn van een MVO-coördinatieplan als een minpunt;
•    ook het hebben van een minimale kritische massa van ambtenaren die werkt rond MVO wordt gezien als een sine qua non;
•    een langdurende steun van de politieke overheid wordt beschouwd als belangrijk;
•    een actieplan wordt gezien als een houvast voor de werking rond MVO;
•    MVO koppelen aan overheidsopdrachten wekt interesse, maar is niet evident;
•    in bijna alle landen is er een (sterke) aandacht voor ketenverantwoordelijkheid, niet alleen in relatie tot ontwikkelingslanden, maar ook het onderkennen ervan in eigen streek;
•    verschillende interessante voorbeelden werden uiteengezet;
•    twee landen sterk op het vlak van MVO (Denemarken en Catalonië) hebben een Raad voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen;
•    het beeld rond de aandacht voor de internationale normen is zeer divers;
•    met uitzondering van Denemarken – en voor specifieke gevallen in Catalonië – lijkt de betrokkenheid van bedrijfsorganisaties eerder beperkt;
•    in Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk wordt dat dan weer opgevangen door twee sterke business gedreven organisaties zoals respAct en BITC;
•     in heel wat landen wordt – al dan niet in een samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven – aan ‘branding’ gedaan van voorlopers. ‘Awards’ zijn daar het meest zichtbare instrument toe, maar evenzeer een gevalideerde databank bewijst zijn nut;

Het is dus duidelijk dat enkele landen op korte termijn een actieve rol op Europees niveau zullen spelen. Vlaanderen doet er dus goed aan om zich op korte termijn organiseren om met kennis van zaken eveneens een actieve rol te spelen bij de besluitvorming op Europees vlak in 2012.

Na de verwerking van de input en de feedback van de participanten van de MVO-tweedaagse op 26-27 januari 2012 zal dit project afgerond worden met enkele pilootprojecten.

Het volledige rapport vindt u hier.

Dit artikel is gebaseerd op de presentatie van Prof. Dr. Bernard Mazijn op de MVO-tweedaagse. De presentatie vindt u hier.

]]>
In het kader van een transnationaal project van het Europees Sociaal Fonds (ESF) werkt het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid samen met de Vlaamse werkgeversorganisaties VOKA, UNIZO en VERSO. Het project Bevorderen van duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen moet antwoord bieden op volgende uitdagingen:
•    hoe kunnen Vlaamse organisaties, bedrijven en overheden MVO beter integreren en toepassen in de organisatie, alsook hierover communiceren,
•    welke instrumenten en methodieken uit andere EU landen kunnen hierbij helpen,
•    en welke beleidsinstrumenten kan de overheid gebruiken om MVO te bevorderen.

Hiervoor werd gekeken naar goede praktijken in andere EU-landen. Het project bestaat uit drie fasen:
1.    Een inventarisatie van interessante praktijkvoorbeelden, methodieken en instrumenten uit andere EU-lidstaten en regio’s (Denemarken, Oostenrijk, Catalonië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk)  (afgerond in 2011)

2.    Via studiebezoeken aan en bijeenkomsten met een aantal organisaties in enkele van die landen en regio’s tot verdere inzichten in die instrumenten komen en aanbevelingen formuleren voor gebruik in de Vlaamse context, (Afgerond in januari 2012)

3.    Op basis van de resultaten pilootprojecten opzetten in Vlaanderen.

Resultaten

De rol van de overheid in de verschillende onderzochte landen/regio’s blijkt zeer divers te zijn. Toch wordt er meestal gefocust op het belang  van een continu beleid. Sommige landen hebben ook geïnvesteerd in een nationale MVO-norm, die vaak ook certificeerbaar blijkt te zijn. Dit is bij de internationale norm ISO 26000 niet het geval. Opvallend is de aandacht die de Deense overheid heeft voor MVO, zeker in kader van hun EU-voorzitterschap dit jaar. De rol van de bedrijfsorganisaties in de onderzochte landen/regios is niet te verwaarlozen, toch beperkt. Hun meest prominente rol is het ontwikkelen van begeleidingstools op maat van de (sub)sector.  Tenslotte werd de rol van andere stakeholders onderzocht.  De onderzoekers vonden een spanningsveld tussen de klassieke sociale dialoog (werkgevers – werknemers) en stakeholderoverleg rond het thema MVO. Hoewel vakbonden deel uitmaken van de klassieke sociale dialoog (en in sommige landen wordt dat overleg betrokken bij het beleid van de overheid inzake MVO), nemen ze niet het voortouw wanneer het gaat over MVO. Werkgeversorganisaties doen dit over het algemeen meer. De NGO’s, tenslotte, spelen soms wel, soms niet een rol, maar steevast op het tweede plan. Andere stakeholders met een actieve rol konden moeilijk worden geïdentificeerd. Toch is het zo dat bij het bestaan van een Raad voor MVO ook andere stakeholders naar voor treden.

Samenvattend kan aangegeven worden dat volgende factoren in min of meerdere mate een rol spelen: de internationale context (de invloed van de Europese Commissie, het bestaan van de UN Global Compact en GRI, multinationals, etc.) en educatie (eventuele samenwerking met business schools).  Al is de rol van educatie moeilijker in te schatten. De opleiding van studenten in MVO-onderwerpen wordt bij de besproken landen niet beschouwd als een prioritair actiepunt.

Prof. Dr. Mazijn, die dit onderzoek leidde, maakte volgende conclusies:
•    de overheden die een echte MVO-coördinatie door de overheid hebben opgezet (Denemarken, Catalonië), noemen dit als een plus-punt, de andere beschouwen het afwezig zijn van een MVO-coördinatieplan als een minpunt;
•    ook het hebben van een minimale kritische massa van ambtenaren die werkt rond MVO wordt gezien als een sine qua non;
•    een langdurende steun van de politieke overheid wordt beschouwd als belangrijk;
•    een actieplan wordt gezien als een houvast voor de werking rond MVO;
•    MVO koppelen aan overheidsopdrachten wekt interesse, maar is niet evident;
•    in bijna alle landen is er een (sterke) aandacht voor ketenverantwoordelijkheid, niet alleen in relatie tot ontwikkelingslanden, maar ook het onderkennen ervan in eigen streek;
•    verschillende interessante voorbeelden werden uiteengezet;
•    twee landen sterk op het vlak van MVO (Denemarken en Catalonië) hebben een Raad voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen;
•    het beeld rond de aandacht voor de internationale normen is zeer divers;
•    met uitzondering van Denemarken – en voor specifieke gevallen in Catalonië – lijkt de betrokkenheid van bedrijfsorganisaties eerder beperkt;
•    in Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk wordt dat dan weer opgevangen door twee sterke business gedreven organisaties zoals respAct en BITC;
•     in heel wat landen wordt – al dan niet in een samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven – aan ‘branding’ gedaan van voorlopers. ‘Awards’ zijn daar het meest zichtbare instrument toe, maar evenzeer een gevalideerde databank bewijst zijn nut;

Het is dus duidelijk dat enkele landen op korte termijn een actieve rol op Europees niveau zullen spelen. Vlaanderen doet er dus goed aan om zich op korte termijn organiseren om met kennis van zaken eveneens een actieve rol te spelen bij de besluitvorming op Europees vlak in 2012.

Na de verwerking van de input en de feedback van de participanten van de MVO-tweedaagse op 26-27 januari 2012 zal dit project afgerond worden met enkele pilootprojecten.

Het volledige rapport vindt u hier.

Dit artikel is gebaseerd op de presentatie van Prof. Dr. Bernard Mazijn op de MVO-tweedaagse. De presentatie vindt u hier.

]]>
Tue, 31 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Documenten en presentaties MVO-tweedaagse online]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/documenten-en-presentaties-mvo-2daagse-online Op 26 en 27 januari organiseerde het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid een MVO-tweedaagse naar aanleiding van de afronding van een ESF-project en een VIONA-studie. Het ESF project (met als partners UNIZO, VOKA en VERSO) richt zich op de vraag ‘Hoe kunnen enerzijds de overheid en anderzijds de werkgeversorganisaties duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen?’. Goede buitenlandse voorbeelden en strategieën waren een bron voor inspiratie. Het tweede project, een VIONA-onderzoek, vertaalt twee internationale MVO-instrumenten (ISO26 000 en GRI rapportering) naar de Vlaamse context en test de inzetbaarheid van deze instrumenten bij een twintigtal bedrijven en bij de subsidieverstrekking door de overheid. Nu de onderzoeken zijn afgerond, werden stakeholders en geïnteresseerden uitgenodigd om over de bevindingen in dialoog te gaan.

De documenten en presentaties zijn nu beschikbaar op werk.be.

Klik hier om meer te lezen over deze tweedaagse 

Klik hier voor de documenten van de tweedaagse

]]>
Op 26 en 27 januari organiseerde het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid een MVO-tweedaagse naar aanleiding van de afronding van een ESF-project en een VIONA-studie. Het ESF project (met als partners UNIZO, VOKA en VERSO) richt zich op de vraag ‘Hoe kunnen enerzijds de overheid en anderzijds de werkgeversorganisaties duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen?’. Goede buitenlandse voorbeelden en strategieën waren een bron voor inspiratie. Het tweede project, een VIONA-onderzoek, vertaalt twee internationale MVO-instrumenten (ISO26 000 en GRI rapportering) naar de Vlaamse context en test de inzetbaarheid van deze instrumenten bij een twintigtal bedrijven en bij de subsidieverstrekking door de overheid. Nu de onderzoeken zijn afgerond, werden stakeholders en geïnteresseerden uitgenodigd om over de bevindingen in dialoog te gaan.

De documenten en presentaties zijn nu beschikbaar op werk.be.

Klik hier om meer te lezen over deze tweedaagse 

Klik hier voor de documenten van de tweedaagse

]]>
Tue, 31 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Een geslaagde MVO-tweedaagse…]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/een-geslaagde-mvo-tweedaagse Vorige week organiseerde Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse Overheid een boeiende tweedaagse in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. De aanleiding voor dit event was de (gedeeltelijke) afronding van twee waardevolle studies in het kader van MVO. Het eerste onderzoek, een ESF-project, richt zich op de vraag: ‘Hoe kunnen enerzijds de overheid en anderzijds de werkgeversorganisaties duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen?’. Antwoorden werden gezocht bij voorbeelden uit het buitenland. Het tweede project, een VIONA-onderzoek, vertaalt twee internationale MVO-instrumenten (ISO 26000 en GRI rapportering) naar de Vlaamse context en test de inzetbaarheid van deze instrumenten bij een twintigtal bedrijven en bij de subsidieverstrekking door de overheid. Toch ging de tweedaagse veel verder dan enkel het meedelen van de resultaten van deze onderzoeken. Een korte terugblik…

De tweedaagse begon met een Masterclass ISO 26000 en GRI, twee internationaal gevalideerde instrumenten. Het gaat hier over een managementrichtlijn en rapporteringsrichtlijnen voor organisaties en bedrijven van alle omvang. Deze Masterclass was niet alleen een gepaste inleiding op het VIONA-onderzoek, maar gaf de aanwezigen ook een basis voor het integreren van deze MVO-instrumenten in een organisatie. De Masterclass ontwikkelde zich tot een interactieve workshop met dank aan trainers Hans Kröder, ISO 26OOO specialist van Learn2improve, en Joris Wiemer, Senior Coordinator bij Global Reporting Initiative.

Na deze opwarmer maakten de aanwezigen zich klaar voor een speech van Minister Freya Van den Bossche (Vlaams minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie). Opmerkelijk was haar interesse in de opinie van de aanwezigen en de veelvuldige aanmaningen voor participatie en feedback omtrent mogelijke beleidsplannen. Na de Minister betrad Iris Kroening, actief in het MVO-team van de Europese Commissie, het podium. Het publiek werd ingelicht omtrent de MVO-beleidsontwikkelingen en –plannen op Europees niveau. Kroening benadrukte ook de kracht van MVO als innovatiemiddel en als stimulans in het versterken van het vertrouwen in Europese bedrijven.

Het verdere verloop van de namiddag werd geweid aan drie parallelle workshops omtrent geïntegreerde verslaggeving, ketensamen en stakeholderbetrokkenheid, en sloot af met een panelgesprek dat verschillende visies aan het woord liet. Vragen omtrent MVO-implementatie en de Overheid als facilitator werden gesteld aan Herwig Peeters (Directeur, Forum Ethibel), Marianne Vergeyle (Directeur Centrale Diensten, Vredeseilanden), Koen Goemans (Directeur, Opnieuw & Co), Herman Van Der Schoepen (Marketing Manager, Gyproc) en Marijke Nauwelaerts (Directeur, Druk in de Weer).

Dag 2 ging van start met een overzicht van de resultaten van het ESF-project en het VIONA-onderzoek, geleid door Professor Dr. Bernard Mazijn. Het onderzoeksteam slaagde erin een duidelijke en volledige presentatie over de studie en de resultaten op te stellen. Leerrijk waren ook de praktijkgetuigenissen van AZ Sint-Blasius en Drukkerij Artoos, twee organisaties met ervaring in het integreren van ISO 26000 en het opstellen van een duurzaamheidsverslag volgens de GRI-richtlijnen.

De namiddag werd gevuld door de voorstelling van pilootprojecten van de Vlaamse Overheid, en aanwezigen werden uitgenodigd voor debat. Eén voorstel betrof het steunen van peterschap van grotere ondernemingen ten opzichte van kleinere ondernemingen, al dan niet in eenzelfde keten. In het publiek wees men op een mogelijke samenwerking met het Quadrant-platform. Toch bestond nog de vrees van een te sturende impact van de MVO-strategie van GO naar KMO toe. Een tweede voorstel  was gebaseerd opleiding tot stakeholderdialoog. Een aanbeveling van enkele participanten was aandacht voor de kwetsbaarheid van de organisatie bij een hoge graad van transparantie. Tenslotte werd ook een GRI-materilialiteitsoefening in verscheidene subsectoren voorgesteld.

Kortom, het was een interessante tweedaagse, zowel voor de bezoekers als voor de Vlaamse Overheid. Het aantal ingeschrevenen bereikte een maximum, enthousiaste sprekers motiveerden toeschouwers en de participanten waren niet vies van debat. Opvallend was ook de aandacht van de Overheid voor de kracht van verslaggeving, ketensamenwerking (zowel lokaal als internationaal), sectorspecifieke ontwikkeling en stakeholder management. Er wordt dus al uit naar het volgende MVO-event…

Voor documenten betreffende resultaten van de onderzoeken, presentaties en verslagen, gelieve deze link te volgen.

Door Fleur Mercelis

]]>
Vorige week organiseerde Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse Overheid een boeiende tweedaagse in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. De aanleiding voor dit event was de (gedeeltelijke) afronding van twee waardevolle studies in het kader van MVO. Het eerste onderzoek, een ESF-project, richt zich op de vraag: ‘Hoe kunnen enerzijds de overheid en anderzijds de werkgeversorganisaties duurzaam en transparant ondernemen in Vlaanderen?’. Antwoorden werden gezocht bij voorbeelden uit het buitenland. Het tweede project, een VIONA-onderzoek, vertaalt twee internationale MVO-instrumenten (ISO 26000 en GRI rapportering) naar de Vlaamse context en test de inzetbaarheid van deze instrumenten bij een twintigtal bedrijven en bij de subsidieverstrekking door de overheid. Toch ging de tweedaagse veel verder dan enkel het meedelen van de resultaten van deze onderzoeken. Een korte terugblik…

De tweedaagse begon met een Masterclass ISO 26000 en GRI, twee internationaal gevalideerde instrumenten. Het gaat hier over een managementrichtlijn en rapporteringsrichtlijnen voor organisaties en bedrijven van alle omvang. Deze Masterclass was niet alleen een gepaste inleiding op het VIONA-onderzoek, maar gaf de aanwezigen ook een basis voor het integreren van deze MVO-instrumenten in een organisatie. De Masterclass ontwikkelde zich tot een interactieve workshop met dank aan trainers Hans Kröder, ISO 26OOO specialist van Learn2improve, en Joris Wiemer, Senior Coordinator bij Global Reporting Initiative.

Na deze opwarmer maakten de aanwezigen zich klaar voor een speech van Minister Freya Van den Bossche (Vlaams minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie). Opmerkelijk was haar interesse in de opinie van de aanwezigen en de veelvuldige aanmaningen voor participatie en feedback omtrent mogelijke beleidsplannen. Na de Minister betrad Iris Kroening, actief in het MVO-team van de Europese Commissie, het podium. Het publiek werd ingelicht omtrent de MVO-beleidsontwikkelingen en –plannen op Europees niveau. Kroening benadrukte ook de kracht van MVO als innovatiemiddel en als stimulans in het versterken van het vertrouwen in Europese bedrijven.

Het verdere verloop van de namiddag werd geweid aan drie parallelle workshops omtrent geïntegreerde verslaggeving, ketensamen en stakeholderbetrokkenheid, en sloot af met een panelgesprek dat verschillende visies aan het woord liet. Vragen omtrent MVO-implementatie en de Overheid als facilitator werden gesteld aan Herwig Peeters (Directeur, Forum Ethibel), Marianne Vergeyle (Directeur Centrale Diensten, Vredeseilanden), Koen Goemans (Directeur, Opnieuw & Co), Herman Van Der Schoepen (Marketing Manager, Gyproc) en Marijke Nauwelaerts (Directeur, Druk in de Weer).

Dag 2 ging van start met een overzicht van de resultaten van het ESF-project en het VIONA-onderzoek, geleid door Professor Dr. Bernard Mazijn. Het onderzoeksteam slaagde erin een duidelijke en volledige presentatie over de studie en de resultaten op te stellen. Leerrijk waren ook de praktijkgetuigenissen van AZ Sint-Blasius en Drukkerij Artoos, twee organisaties met ervaring in het integreren van ISO 26000 en het opstellen van een duurzaamheidsverslag volgens de GRI-richtlijnen.

De namiddag werd gevuld door de voorstelling van pilootprojecten van de Vlaamse Overheid, en aanwezigen werden uitgenodigd voor debat. Eén voorstel betrof het steunen van peterschap van grotere ondernemingen ten opzichte van kleinere ondernemingen, al dan niet in eenzelfde keten. In het publiek wees men op een mogelijke samenwerking met het Quadrant-platform. Toch bestond nog de vrees van een te sturende impact van de MVO-strategie van GO naar KMO toe. Een tweede voorstel  was gebaseerd opleiding tot stakeholderdialoog. Een aanbeveling van enkele participanten was aandacht voor de kwetsbaarheid van de organisatie bij een hoge graad van transparantie. Tenslotte werd ook een GRI-materilialiteitsoefening in verscheidene subsectoren voorgesteld.

Kortom, het was een interessante tweedaagse, zowel voor de bezoekers als voor de Vlaamse Overheid. Het aantal ingeschrevenen bereikte een maximum, enthousiaste sprekers motiveerden toeschouwers en de participanten waren niet vies van debat. Opvallend was ook de aandacht van de Overheid voor de kracht van verslaggeving, ketensamenwerking (zowel lokaal als internationaal), sectorspecifieke ontwikkeling en stakeholder management. Er wordt dus al uit naar het volgende MVO-event…

Voor documenten betreffende resultaten van de onderzoeken, presentaties en verslagen, gelieve deze link te volgen.

Door Fleur Mercelis

]]>
Mon, 30 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Bedrijven in Oost-Vlaanderen staan open voor kansengroepen]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/200-nieuwe-duurzame-jobs-voor-kansengroepen In 2011 creëerden De Punt en Startpunt in samenwerking met Oost-Vlaamse bedrijven bijna 200 nieuwe jobs. De overgrote meerderheid van deze jobs zijn bestemd voor kansengroepen. Dany Neudt, directeur De Punt: '2011 was voor ons een bijzonder goed jaar inzake de creatie van nieuwe Oost-Vlaamse jobs. We zijn bijzonder fier dat we op die manier een zeer concrete bijdrage kunnen leveren om de Gentse en Oost-Vlaamse economie duurzamer te maken'.

De Punt begeleidde 21 Oost-Vlaamse ondernemingen in hun erkenning als invoegbedrijf. Dit is goed voor 164,5 nieuwe voltijdse jobs voor kansengroepen. Een recordaantal en bijna een verdrievoudiging ten opzichte van 2009. In gans Vlaanderen werden 69 nieuwe invoegbedrijven erkend. De Punt neemt dus bijna een derde van alle erkenningen voor haar rekening.

Dany Neudt: "Heel wat Oost-Vlaamse bedrijven ondernemen erg sociaal, maar staan er zelf niet altijd bij stil. Met een erkenning als invoegbedrijf worden hun inspanningen als sociale ondernemingen financieel beloond. Als invoegbedrijf ontvangt een onderneming gedurende 1 jaar tot 50% van de loonkost van de Vlaamse overheid  bij de aanwerving van kansengroepen. Het tweede jaar kan dit nog oplopen tot 30% van de loonkost". De omkadering en expertise van De Punt vormt hierbij een extra troef. De Punt biedt de bedrijven een grondige doorlichting. Op basis daarvan wordt een actieplan opgesteld om op zoveel mogelijk vlakken socialer en duurzamer te ondernemen.

Daarnaast is De Punt een incubator die nieuwe sociale economiebedrijven opstart. Dany Neudt: “Ondertussen richtten we samen met onze partners 4 nieuwe sociale ondernemingen in arbeidsintensieve sectoren op. Deze creëerden in 2011 11 nieuwe jobs. In 2012 verwachten we een aanzienlijke verdere groei.”

Startpunt biedt werkzoekenden een veilige omgeving om een eigen zaak op te starten. De kandidaat-ondernemers krijgen - na een screening door de VDAB - een intensieve opleiding en begeleiding aangeboden. Gedurende 18 maand kunnen ze hun onderneming concreet gestalte geven en schaven ze hun ondernemersvaardigheden bij. De kandidaat-ondernemers gaan actief op zoek naar klanten en schrijven facturen uit via het ondernemingsnummer van Startpunt. Tijdens het traject behouden ze het statuut van uitkeringsgerechtigd werkzoekende en de bijhorende uitkering. Na een positieve evaluatie starten ze dan definitief als zelfstandig ondernemer op.

Pieter Werrebrouck, coördinator van Startpunt: “In 2011 startten niet minder dan 17 werkzoekenden met hun eigen zaak, terwijl er ook 6 een betaalde job vonden. Hiermee halen wij een activeringspercentage van meer dan 60%. De mogelijkheid om als werkzoekende te factureren spreekt duidelijk velen aan. Onze belangrijkste troef is de kruisbestuiving tussen de kandidaat-ondernemers die in begeleiding zitten. De steun van hun collega's zorgt voor het vertrouwen dat nodig is om te volharden en de stap naar het echte ondernemerschap te zetten.”

Contact:
Dany Neudt, directeur De Punt, dany.neudt@depunt.be, 09 27 27 909, 0472 96 68 87
Pieter Werrebrouck, pieter@depunt.be, coördinator Startpunt, 09 27 27 904, 0478 94 15 95

De werking van De Punt kan gerealiseerd worden met de steun van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, de Vlaamse overheid, de Provincie Oost-Vlaanderen en Stad Gent

De werking van Startpunt kan gerealiseerd worden met de steun van de Vlaamse overheid

Bron: Persbericht

 

 

]]>
In 2011 creëerden De Punt en Startpunt in samenwerking met Oost-Vlaamse bedrijven bijna 200 nieuwe jobs. De overgrote meerderheid van deze jobs zijn bestemd voor kansengroepen. Dany Neudt, directeur De Punt: '2011 was voor ons een bijzonder goed jaar inzake de creatie van nieuwe Oost-Vlaamse jobs. We zijn bijzonder fier dat we op die manier een zeer concrete bijdrage kunnen leveren om de Gentse en Oost-Vlaamse economie duurzamer te maken'.

De Punt begeleidde 21 Oost-Vlaamse ondernemingen in hun erkenning als invoegbedrijf. Dit is goed voor 164,5 nieuwe voltijdse jobs voor kansengroepen. Een recordaantal en bijna een verdrievoudiging ten opzichte van 2009. In gans Vlaanderen werden 69 nieuwe invoegbedrijven erkend. De Punt neemt dus bijna een derde van alle erkenningen voor haar rekening.

Dany Neudt: "Heel wat Oost-Vlaamse bedrijven ondernemen erg sociaal, maar staan er zelf niet altijd bij stil. Met een erkenning als invoegbedrijf worden hun inspanningen als sociale ondernemingen financieel beloond. Als invoegbedrijf ontvangt een onderneming gedurende 1 jaar tot 50% van de loonkost van de Vlaamse overheid  bij de aanwerving van kansengroepen. Het tweede jaar kan dit nog oplopen tot 30% van de loonkost". De omkadering en expertise van De Punt vormt hierbij een extra troef. De Punt biedt de bedrijven een grondige doorlichting. Op basis daarvan wordt een actieplan opgesteld om op zoveel mogelijk vlakken socialer en duurzamer te ondernemen.

Daarnaast is De Punt een incubator die nieuwe sociale economiebedrijven opstart. Dany Neudt: “Ondertussen richtten we samen met onze partners 4 nieuwe sociale ondernemingen in arbeidsintensieve sectoren op. Deze creëerden in 2011 11 nieuwe jobs. In 2012 verwachten we een aanzienlijke verdere groei.”

Startpunt biedt werkzoekenden een veilige omgeving om een eigen zaak op te starten. De kandidaat-ondernemers krijgen - na een screening door de VDAB - een intensieve opleiding en begeleiding aangeboden. Gedurende 18 maand kunnen ze hun onderneming concreet gestalte geven en schaven ze hun ondernemersvaardigheden bij. De kandidaat-ondernemers gaan actief op zoek naar klanten en schrijven facturen uit via het ondernemingsnummer van Startpunt. Tijdens het traject behouden ze het statuut van uitkeringsgerechtigd werkzoekende en de bijhorende uitkering. Na een positieve evaluatie starten ze dan definitief als zelfstandig ondernemer op.

Pieter Werrebrouck, coördinator van Startpunt: “In 2011 startten niet minder dan 17 werkzoekenden met hun eigen zaak, terwijl er ook 6 een betaalde job vonden. Hiermee halen wij een activeringspercentage van meer dan 60%. De mogelijkheid om als werkzoekende te factureren spreekt duidelijk velen aan. Onze belangrijkste troef is de kruisbestuiving tussen de kandidaat-ondernemers die in begeleiding zitten. De steun van hun collega's zorgt voor het vertrouwen dat nodig is om te volharden en de stap naar het echte ondernemerschap te zetten.”

Contact:
Dany Neudt, directeur De Punt, dany.neudt@depunt.be, 09 27 27 909, 0472 96 68 87
Pieter Werrebrouck, pieter@depunt.be, coördinator Startpunt, 09 27 27 904, 0478 94 15 95

De werking van De Punt kan gerealiseerd worden met de steun van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, de Vlaamse overheid, de Provincie Oost-Vlaanderen en Stad Gent

De werking van Startpunt kan gerealiseerd worden met de steun van de Vlaamse overheid

Bron: Persbericht

 

 

]]>
Sun, 29 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[SITA & AVIAPARTNER stellen ‘SITAIR’ voor: de eerste elektrische afvalophaalwagen op Brussels Airport ]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/sita-aviapartner-stellen-sitair-voor-de-eerste-elektrische-afvalophaalwagen-op-brussels-airport De SITAIR, op maat voor AVIAPARTNER
Nu de technologie van elektrische voertuigen voldoende is ontwikkeld, stapt SITA enthousiast mee in deze evolutie. SITA ontwikkelde met zijn klant AVIAPARTNER dan ook een eerste, op maat gemaakte elektrische afvalophaalwagen voor de grootste Belgische luchthaven. De SITAIR zorgt op een groene en duurzame manier voor dat op meer dan 20 plaatsen, het door AVIAPARTNER gesorteerde afval, wordt verzameld en weggevoerd naar het centrale containerpark op de luchthaven. Van hieruit staat SITA in voor de afvalverwerking tot secundaire grondstoffen. De SITAIR is een lichte vrachtwagen die een maximumsnelheid van 100 km per uur haalt  en zich per laadbeurt een actieradius heeft tot 120 kilometer. De SITAIR komt in actie in de kelders en smalle doorgangen van de luchthaven. Daarom ontwikkelde SITA deze op maat gemaakte stille vrachtwagen, die makkelijk manoeuvreert in kleine ruimtes en dit zonder enige uitstoot van uitlaatgassen.

Duurzaam afvalmanagement synoniem voor duurzame logistiek
Ellen Joncheere, General Manager van SITA België: “Duurzaamheid is reeds jarenlang de prioriteit van SITA. Met een dagelijkse trafiek van meer dan 800 vrachtwagens, hecht SITA bijgevolg een groot belang aan de verdere ontwikkeling van een groen en modern vrachtwagenpark. Hier is de zoektocht naar alternatieve brandstoffen belangrijk. SITA investeerde daarom enkele jaren geleden in een start-up die instaat voor de verdere ontwikkeling van groene brandstofalternatieven voor ons wagenpark . De lancering van SITAIR  is voor ons dan ook een belangrijk ogenblik. Het is de eerste elektrische SITA-vrachtwagen en het zal zeker niet de laatste zijn. Deze SITAIR werd bovendien, samen met AVIAPARTNER, op maat gemaakt zodat hij in deze specifieke omgeving voor de volle 100 % inzetbaar is. Zo helpt SITA haar klanten bij het realiseren van hun duurzaamheidsdoelstellingen.’

Karel Bekaert, Gedelegeerd Bestuurder van AVIAPARTNER Belgium over de SITAIR: ‘AVIAPARTNER, die als eerste afhandelaar op Brussel Airport vorig jaar het ISO 14001 certificaat voor milieumanagement behaalde, wil zeer ver gaan in haar groen denken. Het Total Waste Management neemt binnen dit geheel een belangrijke plaats in. Enerzijds wordt het duidelijk, door een correcte voorsortering, welke verschillende afvalfracties er vrijkomen binnen onze onderneming. Anderzijds willen we de afvalberg verminderen door het nemen van specifieke preventieve maatregelen. Samen met onze klanten, de airlines,  zijn we voortdurend op zoek naar innovatieve en rendabele manieren om het geproduceerde afval te verminderen. Correcte voorsortering vormt  dé  sleutel om optimaal aan recycling te kunnen doen. Het elektrisch voertuig is opnieuw een extra inspanning om ook als afhandelaar op de Brusselse luchthaven mee te werken aan het behalen van het AK Level III certificaat voor TBAC.’

 

Bron: persbericht

]]>
De SITAIR, op maat voor AVIAPARTNER
Nu de technologie van elektrische voertuigen voldoende is ontwikkeld, stapt SITA enthousiast mee in deze evolutie. SITA ontwikkelde met zijn klant AVIAPARTNER dan ook een eerste, op maat gemaakte elektrische afvalophaalwagen voor de grootste Belgische luchthaven. De SITAIR zorgt op een groene en duurzame manier voor dat op meer dan 20 plaatsen, het door AVIAPARTNER gesorteerde afval, wordt verzameld en weggevoerd naar het centrale containerpark op de luchthaven. Van hieruit staat SITA in voor de afvalverwerking tot secundaire grondstoffen. De SITAIR is een lichte vrachtwagen die een maximumsnelheid van 100 km per uur haalt  en zich per laadbeurt een actieradius heeft tot 120 kilometer. De SITAIR komt in actie in de kelders en smalle doorgangen van de luchthaven. Daarom ontwikkelde SITA deze op maat gemaakte stille vrachtwagen, die makkelijk manoeuvreert in kleine ruimtes en dit zonder enige uitstoot van uitlaatgassen.

Duurzaam afvalmanagement synoniem voor duurzame logistiek
Ellen Joncheere, General Manager van SITA België: “Duurzaamheid is reeds jarenlang de prioriteit van SITA. Met een dagelijkse trafiek van meer dan 800 vrachtwagens, hecht SITA bijgevolg een groot belang aan de verdere ontwikkeling van een groen en modern vrachtwagenpark. Hier is de zoektocht naar alternatieve brandstoffen belangrijk. SITA investeerde daarom enkele jaren geleden in een start-up die instaat voor de verdere ontwikkeling van groene brandstofalternatieven voor ons wagenpark . De lancering van SITAIR  is voor ons dan ook een belangrijk ogenblik. Het is de eerste elektrische SITA-vrachtwagen en het zal zeker niet de laatste zijn. Deze SITAIR werd bovendien, samen met AVIAPARTNER, op maat gemaakt zodat hij in deze specifieke omgeving voor de volle 100 % inzetbaar is. Zo helpt SITA haar klanten bij het realiseren van hun duurzaamheidsdoelstellingen.’

Karel Bekaert, Gedelegeerd Bestuurder van AVIAPARTNER Belgium over de SITAIR: ‘AVIAPARTNER, die als eerste afhandelaar op Brussel Airport vorig jaar het ISO 14001 certificaat voor milieumanagement behaalde, wil zeer ver gaan in haar groen denken. Het Total Waste Management neemt binnen dit geheel een belangrijke plaats in. Enerzijds wordt het duidelijk, door een correcte voorsortering, welke verschillende afvalfracties er vrijkomen binnen onze onderneming. Anderzijds willen we de afvalberg verminderen door het nemen van specifieke preventieve maatregelen. Samen met onze klanten, de airlines,  zijn we voortdurend op zoek naar innovatieve en rendabele manieren om het geproduceerde afval te verminderen. Correcte voorsortering vormt  dé  sleutel om optimaal aan recycling te kunnen doen. Het elektrisch voertuig is opnieuw een extra inspanning om ook als afhandelaar op de Brusselse luchthaven mee te werken aan het behalen van het AK Level III certificaat voor TBAC.’

 

Bron: persbericht

]]>
Tue, 24 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[SITA & AVIAPARTNER stellen ‘SITAIR’ voor: de eerste elektrische afvalophaalwagen op Brussels Airport ]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/sita-aviapartner-stellen-sitair-voor-de-eerste-elektrische-afvalophaalwagen-op-brussels-airport Zaventem, 25 januari 2012 - SITA overhandigde deze week de sleutels van de elektrische afvalophaalwagen ‘SITAIR’ aan AVIAPARTNER, afhandelaar op drie Belgische luchthavens. De SITAIR is de eerste elektrische afvalwagen die wordt ingezet bij de afvalophaling op Brussels Airport bij AVIAPARTNER. De SITAIR stoot tijdens het afvalverzamelproces geen CO2 uit. Voor AVIAPARTNER staat de SITAIR dan ook symbool voor een nieuwe fase in de groene richting. AVIAPARTNER  streeft naar een maximale duurzame dienstverlening voor de 35 Europese luchthavens in zijn klantenportfolio.

Meer informatie omtrent deze samenwerking vindt u bij onze praktijkvoorbeelden.

Bron: Persbericht Famous

]]>
Zaventem, 25 januari 2012 - SITA overhandigde deze week de sleutels van de elektrische afvalophaalwagen ‘SITAIR’ aan AVIAPARTNER, afhandelaar op drie Belgische luchthavens. De SITAIR is de eerste elektrische afvalwagen die wordt ingezet bij de afvalophaling op Brussels Airport bij AVIAPARTNER. De SITAIR stoot tijdens het afvalverzamelproces geen CO2 uit. Voor AVIAPARTNER staat de SITAIR dan ook symbool voor een nieuwe fase in de groene richting. AVIAPARTNER  streeft naar een maximale duurzame dienstverlening voor de 35 Europese luchthavens in zijn klantenportfolio.

Meer informatie omtrent deze samenwerking vindt u bij onze praktijkvoorbeelden.

Bron: Persbericht Famous

]]>
Tue, 24 Jan 2012 23:00:00 +0000
<![CDATA[Elia kiest Blue-bike als bedrijfsfiets]]> http://www.mvovlaanderen.be/over-mvo/nieuws/elia-kiest-blue-bike-als-bedrijfsfiets Begin januari heeft netbeheerder Elia als eerste bedrijf gekozen om de Blue-bikes ter beschikking te stellen als bedrijfsfietsen. De netbeheerder bevindt zich net aan het treinstation van Schaarbeek en reserveert vijf fietsen exclusief voor zijn medewerkers.

De Blue-bikes die aan 37 Belgische treinstations staan, richt zich naast occasionele gebruikers ook naar bedrijven: “De afstand tussen het station van Schaarbeek en ons kantoor is net te lang om te voet te doen. Nu kunnen onze medewerkers tijd winnen en met het openbaar vervoer blijven komen, “ vertelt Valérie Legat van Elia. “Naast onze vijf fietsen in Schaarbeek, hebben we ook vijf abonnementen waarmee onze werknemers in 37 stations terecht kunnen om een Blue-bike te huren. Zo zijn ze overal mobiel.”

Sneller ter plaatse en kleinere voetafdruk

Door de combinatie trein-fiets verkleinen bedrijven zo hun ecologische voetafdruk en is wie het openbaar vervoer gebruikt ook sneller ter plaatse op zijn traject als hij van de trein stapt. Tegelijkertijd werken de fietsers ook aan hun conditie en weerstand.

Genetwerkte mobiliteit

Het deelfietsenconcept van Blue-bike is een recent initiatief van de NMBS-Holding en FIETSenWERK. Om mobiel te blijven, zullen mensen in de toekomst steeds vaker gebruik maken van een genetwerkte mobiliteit, waarin ieder op elk moment à la carte kan kiezen uit een waaier van vervoersmogelijkheden. Een deelfiets om de laatste kilometers af te leggen tot aan de bestemming blijkt vaak een efficiënte manier van verplaatsen.

Bron: Blue-bike

]]>
Begin januari heeft netbeheerder Elia als eerste bedrijf gekozen om de Blue-bikes ter beschikking te stellen als bedrijfsfietsen. De netbeheerder bevindt zich net aan het treinstation van Schaarbeek en reserveert vijf fietsen exclusief voor zijn medewerkers.

De Blue-bikes die aan 37 Belgische treinstations staan, richt zich naast occasionele gebruikers ook naar bedrijven: “De afstand tussen het station van Schaarbeek en ons kantoor is net te lang om te voet te doen. Nu kunnen onze medewerkers tijd winnen en met het openbaar vervoer blijven komen, “ vertelt Valérie Legat van Elia. “Naast onze vijf fietsen in Schaarbeek, hebben we ook vijf abonnementen waarmee onze werknemers in 37 stations terecht kunnen om een Blue-bike te huren. Zo zijn ze overal mobiel.”

Sneller ter plaatse en kleinere voetafdruk

Door de combinatie trein-fiets verkleinen bedrijven zo hun ecologische voetafdruk en is wie het openbaar vervoer gebruikt ook sneller ter plaatse op zijn traject als hij van de trein stapt. Tegelijkertijd werken de fietsers ook aan hun conditie en weerstand.

Genetwerkte mobiliteit

Het deelfietsenconcept van Blue-bike is een recent initiatief van de NMBS-Holding en FIETSenWERK. Om mobiel te blijven, zullen mensen in de toekomst steeds vaker gebruik maken van een genetwerkte mobiliteit, waarin ieder op elk moment à la carte kan kiezen uit een waaier van vervoersmogelijkheden. Een deelfiets om de laatste kilometers af te leggen tot aan de bestemming blijkt vaak een efficiënte manier van verplaatsen.

Bron: Blue-bike

]]>
Mon, 23 Jan 2012 23:00:00 +0000